Hierover meer
Uw recht op onrechtstreekse toegang tot uw persoonsgegevens
Artikel 10 van de Privacywet bepaalt dat iedere persoon recht heeft op rechtstreekse toegang tot zijn gegevens, maar ook op verbetering en schrapping van die gegevens. Volgens dit algemene beginsel mag iedere persoon die zijn identiteit bewijst, zich op ieder ogenblik richten tot de verantwoordelijke voor de verwerking om kennis te nemen van zijn gegevens die de verantwoordelijke verwerkt en/of hem verzoeken die gegevens te verbeteren of te schrappen (artikel 10, §1).
Artikel 13 van de Privacywet voorziet echter - in combinatie met artikel 3, §4 en 5 van diezelfde wet – in een uitzondering op die rechten als de inlichtingendiensten (de Veiligheid van de staat of de Inlichtingendienst van het leger) of de politiediensten deze gegevens verwerken in de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie. Die opdrachten werden trouwens vastgesteld in de wet van 5 augustus 1992 betreffende het politieambt en in de organieke wet van 30 november 1998 betreffende de inlichtingen-en veiligheidsdiensten. In dit bijzondere geval voorziet de Privacywet in een onrechtstreekse toegang. Met andere woorden, de uitoefening van die rechten kan enkel worden uitgevoerd door tussenkomst van de Commissie.
De procedure om dit recht uit te oefenen en de specifieke bevoegdheden van de Privacycommissie staan beschreven in de artikelen 36 tot 46 van het Koninklijk Besluit van 13 februari 2001 tot uitvoering van de Privacywet.
Artikel 37 van dit Koninklijk besluit geeft aan welke informatie een verzoek voor onrechtstreekse toegang moet bevatten:
- enerzijds een gedateerde en ondertekende brief (met naam, voornaam, geboortedatum en nationaliteit), evenals een kopie van de identiteitskaart, het paspoort of een gelijkaardig document. Zonder een identiteitsdocument kan de Commissie helaas geen enkele opzoeking of verificatie doen;
- anderzijds en voor zover de verzoeker over die informatie beschikt: de aanduiding van de betrokken autoriteit of dienst, evenals alle relevante elementen die verband houden met de betwiste gegevens, zoals hun aard, de omstandigheden, de herkomst van de kennisname van de betwiste gegevens en eventueel de gewenste rechtzettingen.
Als er een of meer elementen ontbreken die opgesomd staan in de artikelen 37 en 38 van dit Koninklijk besluit, kan de Commissie het verzoek onontvankelijk verklaren. Daarom wordt de aanvrager aangeraden de modelbrief op onze website te downloaden, volledig in te vullen en er de nodige documenten bij te voegen.
Nadat de Commissie dergelijk verzoek heeft ontvangen, neemt zij contact op met de betrokken autoriteiten en doet zij alle nodige verificaties.
Artikel 43 van het koninklijk besluit somt de bevoegdheden op die aan de Commissie werden toegekend in het kader van onrechtstreekse toegang. Bij controle bij de betrokken dienst bedoeld in artikel 3, § 5, kan zij onjuiste gegevens laten rechtzetten of gegevens die onrechtmatig bijgehouden of aangewend worden, laten schrappen. Zij kan ook bijkomende gegevens of gegevens die verschillen van de gegevens die de betrokken dienst heeft verwerkt, laten toevoegen. Bijvoorbeeld om de impact van brute informatie te nuanceren of om nog onzekere informatie te relativeren als het onderzoek naar die informatie nog niet werd afgerond. De Commissie kan ook verbieden dat de gegevens worden meegedeeld.
Toch leidt een verzoek van de Commissie om de gegevens te schrappen niet automatisch tot een schrapping: de Commissie schrapt zelf geen gegevens uit de politionele gegevensbanken gewoon omdat de burger dat vraagt. Zij onderzoekt in overleg met de betrokken politionele autoriteiten of de informatie in die bestanden al dan niet moet worden behouden.
Een verwerking van dergelijke gegevens (en dus de registratie ervan in die gegevensbanken) is alleen wettelijk als die verwerking gerechtvaardigd wordt door een concreet belang (artikel 44/1 van de Wet van 5 augustus 1992 betreffende het politieambt), een relevant registratiecriterium (Richtlijn MFO-3 van 14 juni 2002 betreffende het informatiebeheer inzake gerechtelijke en bestuurlijke politie), en mits het finaliteits- en proportionaliteitsbeginsel werden nageleefd (artikelen 4 en 5 van de Privacywet). Alleen dan kan de informatie behouden blijven in hun gegevensbanken.
Nadat de Commissie een onderzoek heeft gevoerd en de nodige verificaties heeft verricht, licht zij de betrokken persoon schriftelijk in, binnen de drie maanden vanaf de betekening bedoeld in artikel 44 van het Koninklijk Besluit van 2001, dus binnen de drie maanden nadat de betrokken dienst het resultaat van de controle aan de Commissie heeft doorgegeven.
Wanneer er ook echt sprake is van een gegevensverwerking, mag de Commissie
aan de betrokkene echter niet het resultaat van haar controle meedelen noch hem
inlichten over het al dan niet bestaan van informatie die op hem betrekking
heeft, noch van de inhoud van de informatie meegeven waarvan zij desgevallend
kennis heeft genomen.
De verificaties die de diensten van de Privacycommissie hebben uitgevoerd, maken
het evenwel mogelijk dat de burger die zijn recht op onrechtstreekse toegang
uitoefent, ervan verzekerd is dat de verwerking van zijn gegevens door de
politiediensten wettelijk is en dat onterecht verwerkte gegevens geschrapt
werden.
Enkel wanneer de gegevens worden verwerkt voor een identiteitscontrole, kan de Commissie eventueel na advies van de betrokken dienst, aan de betrokken persoon alle andere informatie verstrekken die zij gepast vindt (article 46, § 2 van het koninklijk besluit).
Wanneer er geen gegevens verwerkt worden, wordt de betrokken persoon daarvan meteen op de hoogte gebracht.
Opgelet: deze onrechtstreekse toegang is niet dezelfde als de onrechtstreekse toegang waarin artikel 10, § 2 van de Privacywet voorziet. In dat artikel gaat het over de rechten van de patiënt en de verwerking van persoonsgegevens betreffende zijn gezondheid. De onrechtstreekse toegang wordt hier niet uitgeoefend door de Commissie, maar door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.


